Het metaforisch paradigma
Het verbindend veld
De ontwikkeling van de kwantumfysica heeft het westerse denken uit haar ‘comfort zone’ gegooid: van een berekenbare, maar daarin ook betekenisloze, causale werkelijkheid - in de onzekerheid van een interactieve waarschijnlijkheid (het ‘betekenisvolle toeval’).
Ieder deeltje, ieder systeem blijkt te zijn ingebed in een ‘betekenend veld’ van impliciete orde, dat haar gedrag bepaalt en dat alles met alles verbindt via een onderliggend veld van pure informatie. Niet de uitwendige manifestatie, maar de inwendige samenhang lijkt de primaire realiteit te zijn waaruit onze werkelijkheid zich ontvouwt!
Één van de grootste mysteries in de kwantumfysica is de rol die de bewuste waarneming daarin lijkt te spelen. “Bestaat de maan nog wel als niemand ernaar kijkt?”, vroeg Einstein zich af. Realisatie van een deeltje uit een golf schijnt pas tot stand te komen door een bewuste waarneming. En dat lijkt paradoxaal, want dat zou betekenen dat die waarnemer nodig was om het universum te laten ontstaan. Maar die waarnemer is toch pas ontstaan úit dat universum?
Wellicht is dit mysterie te wijten aan onze geconditioneerde kijk op causaliteit. Het is voor ons vanzelfsprekend dat de waarnemer aan de waarneming vooraf gaat. Het is de waarnemer, die de waarneming doet. Maar in het licht van de kwantumfysica lijkt dat niet houdbaar. Wanneer we ervan uitgaan dat onze werkelijkheid ontstaat uit een onderliggende zee van pure informatie, door middel van ‘bewuste waarneming’, zou het veeleer zo kunnen zijn dat die waarneming juist aan de waarnemer vooráf gaat. En dat het dus juist de wáárneming is, die waarnemer én ‘werkelijkheid’ creëert!
Dat zou bovendien in overeenstemming zijn met de uitkomsten van wetenschappelijke pogingen om zoiets als ‘bewustzijn’ te lokaliseren in onze hersenen. De conclusie daarvan luidt telkens dat ‘bewustzijn’ niet te vinden is op een specifieke plek, maar veel meer gezocht moet worden in de innerlijke samenhang, de impliciete orde ervan. Dat lijkt dus eerder te wijzen op een ‘betekenend veld’, dan op een manifeste ‘werkelijkheid’! Bovendien blijkt óók, dat het ons bewustzijn is, dat de ontwikkeling van onze hersenen vorm geeft, in plaats van andersom. Een ontwikkeling dus vanuit het abstracte naar het concrete, hoe moeilijk dat mechanisch ook voorstelbaar is.
Maar wat is dan dat ‘betekenende veld van de waarneming’? Hoe ziet dat eruit? Daarover zijn in de loop der eeuwen verschillende gedachten ontwikkeld. Van de Platonische ‘ideeën’ tot de ‘morfische velden’ van Rupert Sheldrake. Een metaforische tussenruimte tussen de manifeste werkelijkheid en het onderliggende veld van pure informatie. De wereld van Jung’s archetypische vormen, door hem omschreven als ‘collectief onbewuste’ - maar wellicht verder reikend dan Jung had voorzien. Aan dit betekenend veld ‘ontlenen’ wij ons bewustzijn, het thema van ons systema, van waaruit wij onze bewustwording opbouwen in denken en ervaren. De ‘samenhang der dingen’, waarmee wij al dan niet prettig verbonden zijn. De brug tussen ons zielsbewustzijn en de dualiteit van onze manifeste werkelijkheid, waarin wij onze betekenis ontwikkelen. En tegelijkertijd de brug tússen die dualiteiten, die ons in staat stelt onze tegenstellingen te overstijgen door ze te ‘beleven’ als pólariteiten, als keerzijden van één diepere werkelijkheid. Daarmee de basis leggend voor onze ‘betekenende vermogens’, t.b.v. onze ‘ont-wikkeling’!
Het metaforische bewustzijn
Maar als dat alles zo ís, hoe komt het dan dat we daar zo weinig wéét van hebben, het grootste deel van ons leven? Dat wordt veroorzaakt door precies díe omkering: dat wij onszelf definiëren als waarnemer, in plaats van onszelf te herkennen als waarnemíng van een ‘betekenend veld’. En de waarnemer kijkt per definitie altijd naar buiten, terwijl de waarnemíng per definitie naar binnen kijkt!

Vanaf het moment dat we beginnen ons bewustzijn uit te bouwen, doen we dat door naar buiten te kijken. We ervaren een ‘buitenwereld’, en we bouwen een beeld ervan op in een ‘binnenwereld’. Maar beide bouwen we op vanuit onze archetypische aanleg, hoewel we ons daar niet bewust van zijn. De ‘buitenwereld’, die we ‘waar’ nemen, is niet wérkelijk een buitenwereld, maar veel meer óns ervaren ervan. En de ‘binnenwereld’, die we opbouwen vanuit dat ervaren, is dus ook niet werkelijk ónze binnenwereld, maar veel meer onze reactie op die buitenwereld. Al is die reactie natuurlijk wél ontstaan via ónze eigenheid, en zegt ze dus wel degelijk iets over ons. Maar ál die waarneming is indirect: wat we daarin missen, is de persoonlijke vingerafdruk van onze aanleg!
Het is onze (ingebouwde) innerlijke opdracht, om ons zelf te ontwikkelen in onze aanleg. Want daarin liggen onze ‘betekenende vermogens’, en dus ook ónze bijdrage aan het ‘betekenende veld’ van dit universum; de échte werkelijkheid, waaruit alles ontstaat. Maar die opdracht is geen gemakkelijke, want hoe leren we ons ‘zelf’ kennen? We moeten als het ware eerst onszelf opbouwen in ervaren en refereren (letterlijk: terug-dragen), vóórdat we de mogelijkheid krijgen om onszelf via diezelfde metaforische weg terug te leren kennen. En dat is geen sinecure, want onze opgebouwde binnenwereld - ons ‘ik’ - heeft een eigen ‘systeem’ opgebouwd van ervaring en referentie - en dat ‘ik’ heeft nogal de neiging om zich te verzetten tegen alles, wat haar aantast. De drang tot zelfbehoud, die ieder systeem eigen is, bindt ons vast aan de door ons ‘vastgestelde’ werkelijkheid van onze ervaring. Pas wanneer we vastlopen in die vicieuze cirkels van onze ‘systemen’ ontstaat bij sommigen de moed om die opgebouwde ‘systemen’ te heroverwegen, en het ‘ik’ terug te brengen tot wat het hoort te zijn: de dienaar van het zelf!
Om ons zelf te leren kennen moeten we die weerstand van ons ‘ik’ overwinnen, en stap voor stap onze ‘systemen’ doorgronden en op orde brengen, om ze te herleiden tot het ‘thema’ van onze aanleg. C.J. Schuurman heeft het in dit verband over zelfkennis, zelfinzicht en zelfbesef: kennis van hoe wij ervaren, inzicht in hoe wij refereren, en besef van wie wij in wezen zijn! Om van daaruit ons leven gestalte te geven, in overgave aan het metaforische karakter ervan: uitwerkend wie we in wezen zijn, als een boeiend levensavontuur.
Het Latijnse ‘personare’ betekent letterlijk: doorklínken. Wanneer we ons leven ontworstelen aan de greep van ons ‘ik’, om onze persoonlijkheid op te bouwen, betekent dat niet dat we van alles overboord moeten gooien. Het betekent wél, dat we het metafore karakter ervan moeten leren doorzien, de dubbele vortex van onze zogenaamde buiten- en binnenwereld, als ónze verankering in het ‘betekenend veld’, met z’n eigen archetypische ondergrond. Wanneer we dát open kunnen maken, worden we persóónlijker mens; en leveren we onze bijdrage aan een meer persoonlijke wereld!
De dubbele vortex
Het is dus de bewuste waarneming van het ‘betekenend veld’, die de informatie van de kwantumfysische ondergrond (onder-) scheidt in vorm en ruimte, natuur en verstand, ervaring en referentie. Dit proces lijkt plaats te vinden doordat ons ‘veld’ virtuele deeltjes uitzendt in een dubbele vortex, die ‘bestaansrecht’ krijgen door interactie - om van daaruit op hún beurt weer virtuele deeltjes uit te zenden, te reflecteren. En alleen die refléctie kunnen we ‘waarnemen’! Want alleen ons persoonlijke ‘veld’ bevat de ‘betekenende vormen’, waarmee wij ‘bewustworden’ en kunnen ‘begrijpen’.
We zien dus niet, wat we zelf uitzenden, we zien alleen maar de reflectie ervan. Als die reflectie ‘klopt’ (‘in lijn’ is), draagt ze bij aan de ontwikkeling van betekenis, en groeien we in begrip. Maar, zoals al aangegeven, veel van die reflectie is vertekend, van binnenuit of van buitenaf. En daarbij is reflectie alléén niet genoeg: pas door het ‘brandpunt’ van het zelf krijgen dingen betekenis! Een zekere mate van ‘alignment’ (‘uitlijning’) is dus nodig om geen woekeringen te laten bestaan, geen fixaties en frustraties, die ons het leven moeilijk maken. En ook geen schijn-zelven, of schijn-zelfbeeld. Want ook die geven geen werkelijke verbinding met de betekenende ondergrond. En die verbinding hebben we nodig, dat is het ‘licht’ van ons leven!
Toch zijn fixaties en frustraties onvermijdelijk in ons leven. En dus ook het ontstaan van schijn-zelven en -zelfbeelden. Want er is geen aanleg denkbaar zonder thema, als aanzet tot betekenisontwikkeling. En ieder thema leidt tot turbulenties in ons systeem. Maar er is een essentieel verschil tussen de inherente turbulenties van ons bestaan en de ‘spoken’ die we toestaan een eigen leven te gaan leiden.
Dat verschil heeft te maken met de manier waarop we die turbulenties kunnen relateren (letterlijk: terugbrengen) naar ons zelf, en ons eigen ‘betekenisveld’. Of we ‘er doorheen’ kunnen gaan, zoals we dat noemen (oftewel: ze door óns heen laten gaan). Want dan kunnen ze hun plek krijgen, hun eigen uitwerking binnen ons ‘betekenend systeem’ als bijdrage aan onze betekenisontwikkeling. Maar wanneer we dat ontwijken, of er niet in slagen ze te integreren, trekken ze ons uit balans en stagneren ze onze bewustwording.
Het ontwikkelen van bewustzijn vraagt om aandacht en referentie. Aandacht betreft het uitzenden van virtuele deeltjes, referentie het verwerken van onze reflecties. We gebruiken onze intentie (eigenheid) om onze aandacht en onze referentie te ‘bezinnen’, in afstemming te brengen met elkaar; om ze daarmee persoonlijk te maken, onszelf toe te eigenen.
Want het grondprobleem van de mens is onze neiging tot identificatie (vereenzelviging) met ons reflectieve systeem. Dat we nalaten, onze interesse persoonlijk te maken, omdat we niet, of niet voldoende, beseffen dat onze ‘waarnemingen’ slechts reflecties zijn. En dat is gevaarlijk, dat maakt ons kwetsbaar voor verdwaling, en het daarmee gepaard gaande verlies van eigenheid. Een dier zal niet verdwalen, omdat ervaring en referentie nog één systeem zijn. Maar ons grotere bewustzijn, met haar relatieve vrijheid van aandacht en referentie, kan zich niet permitteren te blijven hangen in de illusie van objectiviteit, in ons verlangen naar (schijn)zekerheid. Onze uitdaging is juist het ons rekenschap geven van onze subjectiviteit, het accepteren van de onzekerheid van onze betekenende opdracht, en het leren léven daarvan, als de zin van ons bestaan!
Het systemische
Wij mensen benoemen onze instinctieve vermogens, als intuïtie en inspiratie, vaak als een ‘zesde zintuig’, opgebouwd vanuit onze ervaring. Maar ontdekkingen van de neurofysica wijzen er op, dat het wellicht andersom is: dat de informatie-uitwisseling via het ‘betekenend veld’ juist vooráfgaat aan de zintuiglijke waarneming - volgordelijk, en óók evolutionair. En dat we dus éigenlijk zouden moeten spreken van een ‘eerste zintuig’, waar we naar teruggaan!
Vanuit dat eerste zintuig hebben we het ervaren van onze overige zintuigen opgebouwd, in wisselwerking met onze referentie. Maar het ‘waar‘ nemen van beide doen we met onze betekenende kern, die zich uit in intuïtie en inspiratie; respectievelijk de notie van samenhang (plek) en de notie van potentialiteit (lading). En het is die persoonlijke kern, de intentie van onze aanleg, die altijd ons zintuig zal blijven voor de ‘waarheid’; dáár, waar de kaart van onze referent, en het gebied van ons ervaren, samenvallen in betekenis.
Zo is de mens ‘bedoeld’, en daarin zou er niet zoveel mis moeten kunnen gaan. Maar dat doet het wel, en dat heeft te maken met de ‘overkill’ aan zintuiglijke ervaring en referente conditionering, ten opzichte van de relatieve weerloosheid van onze persoonlijke kern. Want die moeten we nog ontwikkelen; en dus kunnen we ons ervaren voorlopig alleen maar voor ‘waar’ nemen, en de daaruit gevormde referentie voor ‘waarheid’! Maar we betalen een hoge prijs voor die voorlopige identiteit, waartegen we ‘ik’ gaan zeggen. Want dat ‘ik’ gaat een eigen leven leiden; het vormt immers één systeem met de ervaring - en het lijkt daarin beter opgewassen tegen die ‘buitenwereld’ dan ons onzekere, ‘betekenis’zoekende ‘zelf’.
En zo raken we gevangen in de doolhof van een systemische samenhang. En het is niet zo gemakkelijk om dáár weer uit te komen!
Want hoe ziet ‘systemische samenhang’ eruit? Vanaf het begin van onze ontwikkeling leven we in systemen. Van onze familie, onze omgeving, onze cultuur. Systemen zijn wederkerige samenhangen. En de basis van al die wederkerigheid is de wederkerigheid van ervaren en referentie. De referentie, die we zien als de waarheidszin van ons systeem ten opzichte van ons ervaren, kán die rol in feite nooit eerlijk vervullen - omdat ze is gevormd vanúit dat ervaren. En dus vinden we valse ‘waarheden’, schijn-zelven, in onze fixaties en frustraties. Want de systemen van onze omgeving weerspiegelen zich in onze referentie; en daardoor kunnen we gevangen raken in wat zich voordoet als logische conflicten, maar in feite systemische verstrikkingen zijn, die ‘spoken’ creëren in ons ‘betekenende veld’.
Één van de grootste problemen van die systemische verstrikkingen is het verlies van zelfherkenning (en het daarmee gepaard gaande verlies van verbinding met onze betekenende ondergrond). Want daarmee verliezen we onze synchroniciteit en onze betekenende vermogens, onze inspiratie en onze intuïtie. Wat een dier niet zou kunnen overkomen, is één van de grootste bedreigingen voor de mens: het verlies van verbinding, als de keerzijde van onze menselijke vrije wil.
De menselijke vrije wil is geen toevallige luxe, maar een doelgericht attribuut met een verplichtend karakter: het ontwikkelen van onze betekenende kern, in ‘persona’, door ons ‘systema’ van ervaren en referentie te doorzien, op orde te brengen en te leren gebruiken.
Het persoonlijke
Maar hoe doen we dat, omgaan met onze systemische samenhang? Want systemen worden in stand gehouden door hun wederkerigheid, die vicieuze cirkels creëert die iedere ‘aanpak’ hopeloos lijken te maken, bij voorbaat al tot mislukken gedoemd! Toch moeten er aanknopingspunten zijn die ons de weg kunnen wijzen, terug naar ons zelf. Want uiteindelijk hebben wij ons van dááruit ontwikkeld!
Het probleem is, dat die ontwikkeling nooit bewust is geweest. Integendeel: om tot bewustwording te kunnen komen, moesten we dat systeem opbouwen van ervaring en referentie. Dus wanneer we daarin vastlopen, omdat het systeem z’n eigen leven is gaan leiden en vervreemd is geraakt van z’n bron, is ‘reconstrueren’ geen optie. Want alle reconstructies die we plegen, gaan uit van dat systeem en leiden terug naar dat systeem: van referent naar ervaring naar referent, zijn ze onderdeel van die vicieuze cirkel, en versterken ze die alleen maar! Hoe graag we ons daar soms ook aan overgeven, het helpt ons niet écht verder, maar houdt ons in die cirkels gevangen!
Pas wanneer dat besef langzaam doordringt, krijgen we oog voor het metafore karakter van de werkelijkheid, de complementariteit van waarneming en werkelijkheid! Zoals ik naar de werkelijkheid kijk, zo ontvouwt ze zich - en het is de ontvouwing zélf, die betekenis genereert! Dus is het zaak, ons open te stellen voor die ontvouwing, en daarin contact te maken met haar bron, onze ‘innerlijke opdracht’, het ‘thema’ van ons ‘systema’, dat zichtbaar wordt als een metaforische rode draad in ons leven, en kenbaar wordt in bezieling, in de toegevoegde informatie van het ‘betekenend veld’. Om daarmee te leren omgaan vanuit een ‘metaforisch bewustzijn’.
In hoe wij omgaan met de werkelijkheid gaat een persoonlijke visie op die werkelijkheid verborgen. Het is onze betekenende taak, om die visie te bevrijden uit haar systemische bevangenheid, en haar te leren resoneren met haar omgeving. Dat is een zaak van openstaan voor al onze innerlijke ‘impulsen’ - niet om achter ze aan te lopen, maar om ze te ‘vatten’ in samenhang en te vertalen in betekenis, als de ‘zingevende intentie’ van ons systeem. Om vanuit díe referentie bewuster, en gerichter, met onze aandacht om te kunnen gaan.
Leven in overeenstemming met je ‘bestemming’ is de meest economische manier om met je energie om te gaan. ‘Bestemming’, niet opgevat als na te jagen doel, maar als een ingebouwde intentie van zelfverwerkelijking. Dat vraagt om een ingebouwd ‘rustpunt’ van besef van deze bestemming, dat de betekenissen die haar ‘toevallen’ kan verwerken en integreren, zonder te stagneren in frustratie.
Het vermogen van een systeem om haar ‘visie’ te ontwikkelen in verschillende omstandigheden, zonder zich te fixeren, is essentieel voor haar generativiteit, haar levenskracht. Want ontwikkeling is iets dat nooit ophoudt en waarin steeds weer andere aspecten aan de orde zijn. De generativiteit van een systeem uit zich in haar vermogen tot integratie van, en anticipatie op, de ‘tijdgeest’ (de ‘collectieve onderstroom’). Zoals een zeiler optimaal gebruik kan maken van de wisselende gegevenheden van wind en stroom, dankzij de scherpte van z’n kiel en tuigage, en van z’n eigen anticiperend vermogen. Het leren kennen, waarderen en hanteren van ons persoonlijke betekenissysteem, in z’n voortdurende metaforische ontwikkeling, zou je kunnen opvatten als de ‘sport’ van het leven, ten behoeve van de spirituele ‘conditie’ van ons ‘betekenende zelf’!
Het onzekere zelf
Wat de omgang met ons ‘betekenende zelf’ zo lastig maakt, is het onzekerheidprincipe. Onzekerheid is die eigenschap van de kwantumfysische ondergrond, waaraan wij onze vrije wil ontlenen. Het onzekerheidsprincipe (ontdekt door Werner Heisenberg) stelt dat voor complementaire grootheden principiële onzekerheidsrelaties gelden: hoe zekerder we het ene willen weten, hoe onzekerder het ander wordt. Op het niveau van het ‘betekenend veld’ vinden we geen berekenbaarheid meer, dan alleen nog de synchroniciteit van de kwantumfysische golf / deeltje ‘waarschijnlijkheden’, zoals die ten grondslag lijken te liggen aan onze ‘betekenende vermogens’.
Het voordeel van die onzekerheid is de mogelijkheid om betekenis te ‘ontwikkelen’. Het nadeel is echter, dan we nooit zeker kunnen weten of iets ‘klopt’. Het behelst de principiële onmogelijkheid van échte objectiviteit, en daarmee ook van objectieve communicatie. Het is de reden voor de existentiële eenzaamheid van ons bestaan!
De onzekerheid van onze ‘betekenende kern’ ligt aan de basis van al onze menselijke vermogens, maar ook van al onze problemen. Wat dóen we niet allemaal om aan die onzekerheid te ontkomen! Al onze menselijke begeertes en gehechtheden, al onze onderlinge concurrenties, zijn gebaseerd op de illusie van onzekerheidreductie; onze ‘angst’ is het samentrekken (ver-engen) van onze vortex, om ons dáárvoor af te sluiten; onze schaamte het verhullen ervan, om ons zelf te ‘beschermen’. Maar mét dat al verstoppen en stagneren we ook het kostbaarste wat we bezitten: ons persoonlijke zelf, met haar mysterieuze diepgang en haar bijzondere eisen; haar lastige wispelturigheid, maar ook haar inherente eigenheid en creativiteit.
Ieder mens komt in z’n leven voor de uitdaging te staan om daarin de omkering te maken. Om afscheid te nemen van de inwikkeling in ervaring en referent, en te kiezen voor de ontwikkeling van ons zelf, onze ‘betekenende kern’. Om daarin de onzekerheid van het leven onder ogen te zien, in ruil voor verbondenheid en creativiteit; door ons systeem in dienst te stellen van de spontis van ons wezen.
Ons halve leven zijn we bezig om ons eigen spoor te vinden - en soms zelfs nog langer. Of we raken het weer kwijt en vallen terug op ons vertrouwde systeem - wat lang niet zo prettig is als het misschien klinkt. Het is niet zo gemakkelijk om mens te zijn en te worden, het is een lange weg met heel veel voetangels en klemmen - waarin we van alles moeten leren snappen en onder controle moeten krijgen; om vervolgens die controle weer los te kunnen laten om ons te laten leiden door ons zelf, in de ontwikkeling van ons thema, onze eigen visie; als een kern van inspiratie, waarmee we ons levensavontuur omzetten in betekenis.
Die betekenende levensweg zou niet mogelijk zijn zonder dat onzekerheidsprincipe. En het omgaan met dat onzekerheidsprincipe zou niet mogelijk zijn zonder dat we eerst een systeem hadden ontwikkeld van ervaren en referentie, om ons ‘betekenende veld’ te kunnen leren kennen. In de ‘holografische’ wisselwerking van dat veld leveren wij onze bijdrage aan de betekenis van de kosmos. In de ultieme verbondenheid en tegelijkertijd unieke eigenheid van ons ‘betekenend veld’ zijn we menselijk en goddelijk tegelijk. Zijn we schepper én schepping; en ook nog eens gewone schepsels! Ga daar maar eens aan staan! Want dat is onze innerlijke opdracht!
Bezinning
Het verhaal van die innerlijke opdracht gaat over lijden en leiden, twee woorden met dezelfde oorsprong, met als grondbetekenis zoiets als gaan, (ook) in de zin van óndergaan. In de omgang met het lijden van de mens hebben verschillende culturen verschillende verhalen ontwikkeld, met allemaal hun eigen specifieke accent:
De westerse cultuur heeft zich vooral gericht op de ‘buitenwereld’, het gebied van de manifestatie (en dus geïdentificeerd met het gebied van de referentie), om dat lijden ‘onder controle’ te krijgen! Daarin kwam de aandacht met name te liggen op de wereld van het fysische; en daarin zijn geweldige resultaten behaald. Maar mét onze fysische en mentale ontwikkeling werd onze levensopvatting steeds mechanischer; en de levensinstelling steeds materialistischer en nihilistischer, ten koste van onze persoonlijke én collectieve zingeving en betekenisontwikkeling. En dan verliezen we ons ‘zelf’!
De oosterse cultuur heeft zich meer gericht op de ‘binnenwereld’, het gebied van de referentie, om zich van dat lijden te ‘onthechten’ - en zich bijgevolg geïdentificeerd met het gebied van de ervaring. Daardoor kwam de aandacht met name te liggen op de wereld van het metafysische; wat leidde tot diepe inzichten in de aard van de werkelijkheid - zoals werd bevestigd door de ontdekkingen van de kwantumfysica. Maar deze hang naar onthechting van het materiële leidt evenzeer tot betekenisverlies als de westerse ‘overhechting’, wanneer ze onverschillig wordt ten opzichte van de fysische wereld.
Naast de fysische en de metafysische onderscheiden we een derde benadering van de werkelijkheid: de metaforische. Door ‘dubbele’ identificatie, met zowel ervaren als referentie, gaan we ons richten op betekenis. Alles wat we tegenkomen, zowel óm ons heen als ín ons, krijgt een wederkerige betekenis, die toegankelijk wordt door innerlijke dialoog. Culturen met een metaforische benadering van de werkelijkheid (bv. de Indianen en de Aboriginals), bereiken een hoge mate van harmonie met hun omgeving. Toch blijken juist díe culturen óók kwetsbaar, door hun weerstand tegen vernieuwing.
Alle drie de benaderingen hebben hun eigen kwaliteiten, en kennen hun eigen verdwaling. Voor bezinning, het op orde brengen van ons betekenend veld, hebben we alledrie nodig. Want het fysische biedt ons onze ‘drive’, het metafysische ons ‘innerlijke aangrijpingspunt’, en het metaforische de betekenende vermogens, voor ‘duiding’ en persoonlijk leiderschap. Ze in dialoog samenbrengen lijkt de beperkingen van elke benadering te doen verkeren in hun tegendeel - dan vinden we juist dáárin hun kwaliteiten. En dat is logisch, want accenten worden pas kwaliteiten in hun resonantie!
Dat is de paradox van de menselijke bewustwording: we bouwen die dubbele vortex op van ervaren en referentie, die ‘buitenwereld’ en die ‘binnenwereld’, om betekenis te genereren - om die betekenis uiteindelijk slechts te vinden in de relatieve onzekerheid van ons interactieve zelf; met haar impliciete (ingevouwen) waarden van inbedding in een ‘betekenend veld’. Maar daartegenover biedt het ook een (relatieve) zekerheid: dat onze inwikkeling in die werelden ons ook de wegen wijst in de óntwikkeling van ons betekenisveld; wanneer we erin slagen ons ‘zelf’ te herkennen in betekenis; door in metaforische bezinning contact te maken met ons eigen ‘verhaal’!
Generativiteit
Zelfherkenning is de basis van onze metaforische vermogens! Van het vermogen om met onszelf om te gaan, het vermogen om met anderen om te gaan, en het vermogen om van onze interacties een ‘betekenisvolle ontwikkeling’ te maken. Besef van ons eigen ‘verhaal’ geeft ons een ‘verhaal’ op de werkelijkheid en op ons systeem: de mogelijkheid om daarin ‘verhaal’ te gaan halen - en te brengen!
Hier komen we bij het principe van generativiteit; bij de wetten van stroom en bedding. Een betekenisvolle realisatie blijkt alleen mogelijk in wederkerige wisselwerking: het is haast onmogelijk, om ergens ‘verhaal’ te halen, zonder ook ‘verhaal’ te brengen; en het is haast even onmogelijk, ergens ‘verhaal’ te brengen, zonder ook ‘verhaal’ te willen halen! Want de stroom schept de bedding, en de bedding ‘trekt’ de stroom. Dat wederkerigheidsprincipe geldt zowel ten opzichte van ‘de werkelijkheid’, als óók ten opzichte van ons ‘zelf’! Want beide willen ze daarin ‘serieus’ worden genomen!
Maar die dynamiekgaat nog voorbij dit wederkerigheidsprincipe! Want ze heeft óók nog een ‘verticale’ dimensie. Ieder systeem heeft een ingebouwde innerlijke opdracht, een ‘bestemming’, een aanleg die ‘zoekt’ om zich te realiseren. Dat kan zich bijvoorbeeld uiten in verliefdheden of inspiraties waarin die aanleg een aanknopingspunt vindt. Liefde is de drang tot zelfrealisatie van betekenis. Als wij onze liefde kunnen inzetten in de betekenisrealisatie van ons zelf, zal ze ons veld versterken. Maar dan moeten we ons wél realiseren dat het nooit gaat om waardóór, maar om waarín we worden geraakt! Want er is ook veel systemische verslaving, die voor liefde wordt aangezien, maar die ons alleen maar onze energie doet verliezen!! Dynamische ontwikkeling van betekenis vraagt een vrije inbedding van onze spontis. Door het overwinnen van onze angsten en onze verstrikkingen ontwikkelen we het vertrouwen ons over te geven aan onze bezieling, en daar naar te luisteren. Maar om dat te kunnen doen moeten we die bezieling ook organiseren, letterlijk: van organen voorzien, ‘op orde’ brengen, door haar in te bedden in ons leven. Want anders stroomt ze niet! Dat organiseren doen we met behulp van onze ‘metaforische vermogens’, de wederkerige zelfherkenning van binnen- en buitenwereld. Hoe meer we ons díe toe-eigenen, hoe meer generativiteit we ontwikkelen in ons leven!
Generativiteit is ons ‘voortbrengend vermogen’! Door ons systeem ‘óp orde’ te brengen kunnen we ‘ín orde’ komen, en zien wat ‘áán de orde’ is, om bezielde keuzes te maken! Daarin draait het er om, te leren herkennen wat onze ‘orde’ van ons vraagt, vanuit de betekenende vormen van ons bewustzijnsveld. Hoe meer we díe ontwikkelen, hoe meer we in staat zijn om dynamisch te worden; om actief deel te nemen in de betekenisontwikkeling van onze wereld, en daarin ons eigen accent te vertolken. En dat is wat ons uiteindelijk gelukkig maakt!
Geluk is een toestand van vervulling. De vervulling van onze ingebouwde innerlijke opdracht. Niet omdat het ván iemand moet, of vóór iemand moet, maar enkel voor de ontwikkeling van onze betekenende kern, onze spontis of ‘vrije wil’. Het kenmerk van deze vervulling is dan ook de ervaring van vrijheid in alles wat we doen, hoe zwaar dat soms ook voor anderen mag lijken. Als die ervaring ontbreekt, dan zit er ergens (in buiten- óf binnenwereld) iets fout! En dan wordt het dus opnieuw weer tijd voor inkeer en bezinning.
Religiositeit
Het leven is een doorgaande stroom, en ze is continu in beweging. Daarin kan geen blijvende gelukstoestand zijn - want het universum zelf blíjft bewegen, naar een uitéindelijke vervulling van ‘betekenis’. ‘Panta rhei’, zeiden de Grieken, alles stroomt. Het hoogst haalbare geluk voor een mens is het gevoel van verbinding met die stroom.
Het menselijk streven naar die verbinding noemen we religiositeit (van re-ligare = ver-binden); als de ‘verbinding met de totaliteit’.
Het metaforisch bewustzijn van de mens heeft aan die totaliteit de naam verbonden van talloze goden, om aan deze verbondenheid een persoonlijk ‘gezicht’ te geven. Want dat is wat wij mensen willen: de dingen een naam geven, zodat we eraan kunnen refereren. Dat heeft, zoals we gezien hebben, een essentiële functie in onze bewustwording. Maar het heeft ook nadelen, want het stelt de betekenende ondergrond bloot aan ‘referente fixatie’, in de vorm van godsdiensten - en maakt ze daarmee onderwerp van tegenstelling. Met alle gevolgen van dien, zoals de geschiedenis ons heeft geleerd.
En toch heeft onze behoefte aan een persoonlijke invulling van die verbinding nog een diepere betekenis. Alsof het een extra dimensie geeft aan ons bestaan. Die extra dimensie heeft betrekking op het persoonlijke ervan. Besef van een verbondenheid, die onze relationele verbindingen overstijgt, lijkt ons persoonlijke leven een bevrijdend reliëf te geven. Wellicht is onze hang naar die ‘persoonlijke’ totaliteitservaring dus meer iets van ons zelf, dan van die totaliteit!
Het belang van onze persoonlijke Gods- of totaliteitservaring lijkt dan te liggen in het ‘overstijgende’ ervan, haar zgn. transcendentie. Wanneer we dat refereren aan de inzichten van de kwantumfysica, zien we dat transcendente moment terug als het realisatiemoment van de golf / deeltje interactie; als het moment van bewustwording, dat nog verbonden is met de wereld van de mogelijkheden, en ons daarmee de mogelijkheid verschaft onze eigen keuzes te maken!
Verbondenheid en transcendentie zijn daarmee essentieel voor ons levensgeluk. Want zij bieden ons die mogelijkheid tot vrijheid, tot vrije keuze. Tot het overstijgen van onze systemische bevangenheid en het vrijmaken van onze intenties. Dat is waar religiositeit over gaat; en daarin is ze in veel opzichten een tegenpool van allerlei godsdiensten en levensovertuigingen. Echte religiositeit kán alleen maar persoonlijk zijn - want anders schiet ze haar doel voorbij. Al wil dat nog niet zeggen dat we geen anderen nodig hebben om die religiositeit te kunnen beleven. Want we leren onszelf pas kennen in de spiegel van de ander. En we gaan pas ‘open’ in de echte ontmoeting!
Daarin vinden we onszelf, na onze zoektocht door de dynamische vortex van ons bewustzijn, opnieuw terug als slechts ‘waarneming’ van een betekenend veld. Maar met een persoonlijke visie, ingebed in een systemische samenhang; als uniek aspect van een universeel realisatieproces, verbonden met alle andere. Met een eigen betekenis, en een eigen ‘zin’. Die niemand kan duiden dan alleen wij zelf.
En datzelfde geldt, zonder uitzondering, voor al die anderen ook! Met wie ik dus alleen uit vrije wil in resonantie kan komen, vanuit wederkerige interesse. Dat is de rijkdom, én de beperking, van ons metaforisch bewustzijn. Maar dat zou ons voldoende moeten zijn!
Samenvatting
Ons geestelijk leven speelt zich af in twee ‘velden’: enerzijds in het (systemische) ‘veld’ van ons denken (denken/voelen); anderzijds in het (metaforische) ‘veld’ van ons bewustzijn. Daar waar die twee samenkomen, is de ruimte voor intentie, waarin wij kunnen sturen.
Ons ‘denkveld’ heeft vaak veel moeite met ons ‘bewustzijnsveld’. Dat wordt m.n. veroorzaakt door de kwantumfysische achtergrond ervan, die het soms logisch onnavolgbaar maakt, omdat ze werkt in samenhangen, in plaats van in causale ketens; maar ook door het onzekerheidsprincipe, dat eigen is aan kwantum fenomenen zoals onze betekenende kern. Desalniettemin kúnnen wij niet zonder ons ‘bewustzijnsveld’, omdat ons ‘denkveld’ niet in staat is tot het genereren en transcenderen van betekenis, en daarmee tot wérkelijke groei en ontwikkeling. Want wij zíjn betekeniswezens, en dus zijn we gehouden aan ontwikkeling, op straffe van ‘zinverlies’.
Hoewel wij ons bestaan ‘ont-lenen’ aan dat betekenend veld, is het lastig daarin onszelf te leren kennen. Dat komt omdat wij ons zelf, onze betekenende kern, alleen maar índirect kunnen waarnemen; via de reflecties van ervaren en refereren. En de ervaringszintuigen en onze referente conditioneringen hebben de neiging ons ‘eerste’ zintuig, van intuïtie en inspiratie, te overstemmen. We leren ons zelf slechts kennen in het ‘persoonlijke’, in wat dáárin ‘doorklinkt’.
Om ons ‘denkveld’ te herverbinden met ons ‘bewustzijnsveld’, zijn we aangewezen op bezinning. Van daaruit kunnen we zowel onze generativiteit (voortbrengend vermogen), als ook onze religiositeit (transcenderend vermogen) ontwikkelen. Om op die manier beter thuis te komen in ons leven, in onze betekenende ‘ont-wikkeling’!